28-09-09

Aarde

AARDE
Kahlil Gibran

 

HOE PRACHTIG BEN JE, aarde, en hoe verheven!

Hoe volmaakt is je gehoorzaamheid aan het licht en

Hoe nobel is je overgave aan de zon!

 

Hoe liefelijk ben je, gehuld in schaduw, en hoe

Charmant is je gelaat, gemaskerd met duisternis!

 

Hoe rustgevend is het lied van de

Morgen en hoe

Wrang zijn de lofzangen van het avondrood!

Hoe volmaakt ben je, aarde, en hoe machtig!

 

Ik heb gewandeld over je vlakten en

Je stenen bergen

Beklommen; ik ben afgedaald in je valleien;

Ik ben je grotten binnengegaan.

In de vlakten vond ik je droom. Op de berg

Vond ik je trots. In de vallei was ik getuige van je

Rust. In de rotsen zag ik je vastberadenheid, in de

Grotten je geheimzinnigheid.

 

Je bent zwak en machtig en nederig en hooghartig.

Je bent volgzaam en onbuigzaam,

Helder en mysterieus.

Ik heb over je zeeën gevaren en je rivieren verkend en

Je beekjes gevolgd.

Ik hoorde eeuwigheid spreken in eb en vloed,

En de eeuwen weerkaatsten je liederen tussen de heu­vels.

Ik luisterde naar leven dat naar leven riep in jouw val­leien en langs je hellingen.

Je bent de mond en de lippen van de eeuwigheid,

De snaren en de vingers

Van de tijd,

Het mysterie en de oplossing

Van het leven.

Je lente heeft me gewekt en me naar je velden geleid

Waar je geurende adem opstijgt

Als wierook.

Ik heb de vruchten gezien van je zomerarbeid.

In de herfst, in je wijngaarden, zag ik je

Bloed vloeien als wijn.

Je winter droeg me in je bed, waar de sneeuw getuig­de van je zuiverheid.

In je lente ben je een geurende olie; in je zomer ben je vrijgevig;

In je herfst ben je een bron van over­vloed.

 

Op een kalme en heldere nacht

Opende ik de ramen en deuren

Van mijn ziel en ging

Naar buiten om je te ontmoeten,

Mijn hart gespannen met lust.

Ik zag je staren naar de sterren die naar jou lachen.

Zo wierp ik mijn boeien weg, want ik

Ontdekte dat de woonplaats van de ziel in jou is.

Haar verlangen groeit in jouw verlangen; haar

Vrede rust in jouw vrede; en haar geluk is in het

Goudstof dat de sterren uitstrooien boven jouw Lichaam.

 

Op een nacht, toen de lucht grijs werd, en mijn ziel

Vol verdriet was, ging ik naar je toe.

En je verscheen voor me als een reus, gewapend met

Woedende stormen, het verleden bevechtend

Met het heden,

Het oude vervangend door het nieuwe, terwijl je

et sterke het zwakke liet verstrooien.

 

Zo leerde ik dat de wet van de mensen

Jouw wet is.

Ik leerde dat wie droge takken niet laat breken

In de storm, vermoeid zal sterven.

En wie de revolutie niet gebruikt om de

Droge bladeren te verwijderen, langzaam zal vergaan.

Hoe vrijgevig ben je, aarde, en hoe sterk is jouw

Verlangen naar je kinderen, die verdwaald zijn tussen

Wat ze hebben verworven en dat wat ze niet konden verwerven.

Wij klagen en jij lacht; wij fladderen weg

Maar jij blijft!

 

Wij lasteren de naam van God en jij zegent.

Wij ontheiligen en jij heiligt.

Wij slapen zonder dromen, maar jij

Droomt in je eeuwige waaktoestand.

 

Wij doorboren je boezem met zwaarden en speren,

En jij kleedt onze wonden met olie en balsem.

Wij beplanten je velden met schedels en beenderen,

En jij verbouwt cipressen

En wilgen.

 

Wij legen ons afval in je schoot, en jij vult

Onze voorraadschuren met tarweschoven

En onze wijnpers met druiven.

 

Wij maken van je grondstoffen bommen

En kanonnen, maar jij schept uit dezelfde stoffen

Lelies en rozen.

 

Hoe geduldig ben je, aarde, en hoe barmhartig!

Ben je een atoom van stof, dat opwaait

Door de voeten van God toen Hij reisde van het oosten

Naar het westen van het universum?

Of een vuurvonk uit de oven

Van de eeuwigheid?

Ben je een zaad dat in de velden is geworpen

Van het firmament om Gods boom te worden

Die uitreikt boven de hemelen met zijn hemelse tak­ken?

Of ben je een druppel bloed in de aderen van de

Reus der reuzen, of een druppel zweet op zijn

Voorhoofd?

 

Ben je een vrucht die gerijpt is in de zon?

Groei je aan de boom van absolute

Kennis, waarvan de wortels zich uitstrekken door de

Eeuwigheid en waarvan de takken door het

Oneindige zweven?

 

Ben je een juweel geplaatst door de God van de tijd in de

Palm van de God van de ruimte?

 

Wie ben je, aarde, en wat ben je?

Jij bent mij, aarde!

 

Jij bent mijn blik en mijn onderscheidingsvermogen.

Jij bent mijn kennis en mijn droom.

Jij bent mijn honger en dorst.

Jij bent mijn vreugde en verdriet.

Jij bent mijn onachtzaamheid en mijn waakzaamheid.

Jij bent de schoonheid die in mijn ogen leeft,

Het verlangen in mijn hart,

Het eeuwige leven in mijn ziel.

 

Jij bent mij, aarde.

Als het niet voor mijn wezen was geweest,

Dan zou jij niet hebben bestaan.

 

Uit Kahlil Gibran – De Dromer

Commentaren

Hey Luciana. Dit is een heel mooi gedicht. Ik wens je nog een fijn weekend.

Gepost door: Martin | 14-11-09

PRACHTIG Prachtige teksten hoor... daarom zou het een echt super plezier zijn om een tekst van jou op ons kersverse forum te mogen ontdekken... vrijblijvend een beetje hoopvol.

Groetjes
Didier

Gepost door: didier | 27-12-09

De commentaren zijn gesloten.